Ik zit op de bank met mijn benen onder me, telefoon in de hand, en lees de commentaren onder een nieuwsbericht over een verkrachting. Buiten doet de wind iets met de regen wat ik niet zie maar wel hoor, het tikken op het zinken kozijn boven de keuken. Ringo komt aanlopen en gaat op de leuning zitten met de ongeïnteresseerde arrogantie van een kater die nooit in zijn leven om iets heeft hoeven vragen. Ik kijk naar het scherm.
Het bericht is twee zinnen lang. Een vrouw heeft aangifte gedaan, een man is aangehouden. De commentaren zijn langer dan het bericht, exponentieel langer, het soort onevenredigheid dat alleen ontstaat wanneer iemand vindt dat iets de moeite van het rechtzetten waard is.
Ze liegt. Dat is de eerste variant, de meest economische, de versie die je krijgt als de schrijver niet de moeite neemt voor een tweede zin. Verder uitgewerkt: ze heeft het zelf gewild, ze was ook dronken, kijk eens hoe ze eruitzag, het is haar woord tegen het zijne, waarom wacht ze zo lang met aangifte doen, hoe naïef kan je zijn op je eenentwintigste, ze is er zelf naartoe gegaan, niemand dwong haar de auto in. Ik scrol. De variaties vermenigvuldigen zich met de logica van een schimmel die warmte vindt. Ze hebben allemaal dezelfde kern: de vrouw in het bericht is onbetrouwbaar tot het tegendeel bewezen is, haar lichaam heeft iets uitgelokt dat haar mond niet meer kan terugnemen, haar aangifte is verdacht. De man in het bericht krijgt geen adjectief.
Ik leg de telefoon op de leuning. Ringo verplaatst zijn gewicht, een traag protest. Ik pak de telefoon weer op en ga zoeken, omdat het lichaam soms iets wil weten wat het hoofd al weet, en dat heet uitsluitsel.
De cijfers zijn niet nieuw. De cijfers zijn nooit nieuw. Valse aangiftes van seksueel geweld maken minder dan tien procent uit van alle gemelde gevallen, en onder strikte criteria zakt dat percentage naar ongeveer twee. Ik schrijf het op een Post-it die naast me ligt, omdat een Post-it een ding is dat blijft, terwijl een telefoonscherm een ding is dat wegglijdt zodra je opstaat om water op te zetten. Twee procent. Dat betekent dat achtennegentig vrouwen op de honderd die naar het politiebureau lopen om hun lichaam te laten beschrijven door iemand die met een biro aantekeningen maakt, de waarheid spreken. Niet misschien de waarheid. Niet gedeeltelijk. De waarheid.
En toch beginnen de commentaren bij het liegen.
Ik weet niet wanneer ik zelf ben opgehouden met die eerste vraag te stellen, of ik hem ooit echt heb gesteld in plaats van hem te laten staan in de marge van mijn eigen lezen, als achtergrondsuis dat me hielp door een artikel heen te scrollen zonder al te lang stil te staan. Twintig was ik toen ik die suis voor het eerst opmerkte, dertig voor ik er iets over zei, en nu, op een zaterdagochtend, schrijf ik het op een Post-it.
Ik probeer me voor te stellen hoe het zou zijn als achtennegentig procent van de passagiers bij de gate hun schoenen niet hoefden uit te trekken omdat één enkele schoen ergens in 2001 een bom bleek te zijn. Wat als die honderden miljoenen reizigers gewoon in hun sneakers door de detectiepoort mochten lopen, en in plaats daarvan elke keer wanneer een schoen ging piepen, men aannam dat de schoen loog over zichzelf? Het beeld is absurd. Het is precies omdat het absurd is dat het iets onthult over wat hier wel als normaal geldt.
Een andere berekening, meer naar mijn smaak. In de Noord-Amerikaanse nationale parken raakt elk jaar een handvol mensen gewond door grizzlyberen. Yellowstone alleen al noteert ongeveer één blessure op 3,6 miljoen bezoekers, een statistiek die je in toeristenbrochures terugleest naast plaatjes van geisers en bizons die in een rij oversteken. Een willekeurige man in de Verenigde Staten heeft statistisch méér kans om door zo'n grizzly aangevallen te worden dan dat hij ooit het subject wordt van een valse aangifte van verkrachting die uitloopt op vervolging en veroordeling. Niet een beetje meer kans. Significant meer.
Ik deel dit niet mee om beren te kleineren. Beren zijn gevaarlijk. Ze wegen tweehonderd kilo en lopen vijftig kilometer per uur over terrein waar jij struikelt over je eigen wandelschoen. De parken respecteren dat. Er staan borden langs de paden, in drie talen soms, met cursief gedrukte beleefde dreiging. Bear spray aan je heup. Voedsel in een metalen kluis omdat een aluminium kluis voor een grizzly een sardienenblikje is. Er is iets bijna plechtigs aan hoe serieus een Amerikaans nationaal park een beer neemt. De ranger op de persconferentie spreekt langzaam, vouwt zijn handen op tafel, en zegt het woord unfortunate alsof hij het bewaart voor de juiste gelegenheid. Er wordt geen toon van verdachtmaking aangeslagen tegenover de beer. Niemand vraagt of de beer wel echt door het bos liep, of dat hij later spijt kreeg, of dat hij niet eigenlijk ergens om gevraagd had door zijn aanwezigheid.
De vrouw in het nieuwsbericht krijgt de commentaren.
Er bestaat een naam voor wat die commentaren doen, in de technische zin van het woord: een verkrachtingsmythe. Een culturele overtuiging die hardnekkig is, empirisch onjuist, en die systematisch in het voordeel van daders werkt. Onderzoekers in de Verenigde Staten lazen vier maanden lang Twitter-berichten over seksueel geweld en kwamen tot de conclusie dat tussen de vierenveertig en achtenveertig procent van die berichten beschuldigend was richting de aanklager, niet richting de aangeklaagde. Bijna de helft. Niet als strategie maar als reflex. Het is wat de vingers doen wanneer ze niet meer hoeven na te denken, wanneer de duim al weet welke kant op het scherm moet glijden voordat de hersenen het hebben besloten.
In datzelfde land, in 2018, zei de minister van onderwijs in een landelijk televisie-interview dat ze niet wist welk getal groter was: het aantal valse aanklachten op campussen of het aantal werkelijke verkrachtingen. Een minister van onderwijs, met een staf en met toegang tot ongeveer alle data over dit onderwerp die op deze planeet te vinden is. Ze wist het echt niet, of erger nog, ze gokte verkeerd. De mythe spreekt zo luid dat de feiten eronder verstommen. De feiten staan niet in de commentaren.
De Britse filosoof Miranda Fricker heeft een term voor de mechaniek erachter: testimonial injustice, getuigenisonrecht. Iemand ongeloofwaardigheid toekennen op grond van wie ze is, niet op grond van wat ze zegt. Vrouw, seksueel geweld, te emotioneel of te weinig emotioneel, te lang gewacht of te snel naar het bureau gerend. Ik herinner me dat ik toen ik over het concept las, dacht aan een plastic stoel. De stoel waarop een vrouw gaat zitten op een politiebureau om verslag te doen, tegenover iemand die met een biro aantekeningen maakt op een formulier dat ontworpen is door iemand die nooit op zo'n stoel heeft gezeten. Het ongeloof komt niet pas in de rechtbank. Het zit al in de zinsbouw van het rapport.
Een groep onderzoekers analyseerde vierentwintig jaar aan politierapporten over seksueel geweld en vond iets ontnuchterends: de rapporten die later als vals werden aangemerkt waren niet objectief minder geloofwaardig in hun feitelijke inhoud. Ze waren wel korter geschreven en negatiever van toon. De vrouw die ging zitten op de plastic stoel werd al ongegrond verklaard in de manier waarop de agent zijn pen vasthield, in de hoeveelheid regels die hij bereid was aan haar woorden toe te kennen. De waarheid van wat haar overkomen was, woog minder dan het humeur van de man die het opschreef.
Achtentachtig procent doet geen aangifte.
Dat zijn geen vrouwen die niets is overkomen. Dat zijn vrouwen die de uitkomst hebben uitgerekend voordat ze het bureau in stappen, op grond van wat ze weten over hoe het gaat: de korte zinnen, de pen die te traag beweegt, de plastic stoel, de commentaren onder het nieuwsbericht dat morgen verschijnt. Ze hebben de rekensom gemaakt en besloten dat het de moeite niet waard is. Een Amerikaanse onderzoekster schreef ergens in 2017 dat we ons méér zorgen zouden moeten maken over daders die vrijuit gaan dan over mensen die liegen over verkrachting. Ze schreef het in een wetenschappelijk tijdschrift, met data en met een redactiecomité dat haar woorden gewogen had. De commentaren lezen haar niet. De commentaren lezen niets dat ze niet al weten.
Ik scrol terug naar het oorspronkelijke bericht. De man is aangehouden. De vrouw heeft aangifte gedaan. De commentaren vragen hoe we dat eigenlijk kunnen weten. Ze vragen waarom ze zo lang heeft gewacht, wat ze aanhad die avond, waarom haar moeder haar dat ooit heeft toegestaan, of het misschien spijt is achteraf omdat hij haar niet teruggebeld heeft, of zij ook eens wil overwegen dat een man een leven heeft.
De beer in Yellowstone vraagt niets. De beer loopt door het Lamar Valley, eet bessen waarvan hij de Latijnse naam niet kent, laat voetafdrukken achter in de modder langs de kreek die groter zijn dan een wandelschoen en dieper dan comfort. De parken hangen er borden voor op. Ze nemen hem serieus. Ze geven hem het voordeel van een protocol.
Ringo strekt zich uit op de leuning en valt in slaap. Buiten is de wind gaan liggen. De vrouw in het bericht is de achtennegentig procent. De commentaren zijn wat ze altijd zijn.