Ik ken mijn BMI. Ik weet niet waarom ik het ken, want het is een nutteloos getal dat niets zegt over mijn gezondheid, maar ik ken het. Het zit in mijn hoofd, samen met andere getallen: mijn gewicht, mijn maat, de omtrek van mijn middel als ik die ooit zou meten, wat ik niet doe, maar ik zou het kunnen schatten.
Vrouwen en getallen. We houden ze bij. We onthouden ze. Ze definiëren ons.
De BMI is uitgevonden in de negentiende eeuw door een statisticus die menselijke lichamen wilde categoriseren. Het was nooit bedoeld als maatstaf voor individuele gezondheid. Het zegt niets over spiermassa, over botstuctuur, over waar je vet zit en waarom. Het is een breuk van gewicht gedeeld door lengte in het kwadraat, alsof menselijke lichamen wiskundige vergelijkingen zijn.
En toch.
En toch weet ik het. En toch voel ik iets als het stijgt. En toch voel ik iets anders als het daalt.
Milla kent haar BMI niet. Nog niet. Maar het komt. Op een dag gaat een dokter of een gymleraar of een tijdschrift haar vertellen dat er een getal is dat bepaalt of haar lichaam acceptabel is.
Ik zou haar willen beschermen. Maar je kunt iemand niet beschermen tegen getallen.
Ze zijn overal.
En ze tellen door, je hele leven.