Toen ik nog advocaat was, op de Zuidas, was er een dresscode. Die gold voor iedereen, zogenaamd. Maar voor vrouwen was hij ingewikkelder.
Mannen droegen een pak. Donkerblauw of donkergrijs, wit overhemd, das. Klaar. Elke dag hetzelfde. Niemand keek ernaar, niemand oordeelde, het was uniform.
Vrouwen moesten navigeren. Niet te sexy, niet te saai. Niet te mannelijk, niet te vrouwelijk. De rok niet te kort, maar ook niet te lang. De hakken niet te hoog, maar ook niet plat, want plat is niet professioneel. Make-up, maar niet te veel. Sieraden, maar subtiel.
Ik droeg meestal zwart. Ik draag nog steeds meestal zwart. Het is simpeler. Minder keuzes, minder oordelen.
Maar zelfs zwart was een keuze die werd gezien. "Altijd in het zwart, hè?" Ja. Altijd in het zwart. Is dat een probleem?
De dresscode voor vrouwen is een dresscode met valkuilen. Je kunt het fout doen op twintig verschillende manieren. Je kunt te veel zijn of te weinig, en de grens is onzichtbaar tot je hem overschrijdt.
Milla draagt wat ze wil. Nu nog. Op school is er geen dresscode, behalve de dresscode die meisjes elkaar opleggen, die nog strenger is.
Ik laat haar.
Ze gaat het vroeg genoeg leren, de regels die niemand uitspreekt.
De regels die alleen voor haar gelden.