Ik heb laatst een foto gepost. Op Instagram. Een foto van mezelf in de tuin, tussen de planten, in mijn eeuwige zwarte kleding, met Ringo ergens op de achtergrond als een vage zwarte vlek.
Het was een leuke foto. Ik zag er goed uit. Relaxed.
Wat niemand weet is dat ik zevenenveertig foto's heb gewist voordat ik bij deze uitkwam.
Zevenenveertig versies van mijn gezicht die niet goed genoeg waren. Te veel kin. Te weinig kin. Vreemde schaduw. Rimpel te zichtbaar. Ogen dicht. Ogen te wijd open. Glimlach te geforceerd. Glimlach niet geforceerd genoeg.
Dit is de arbeid achter de ongedwongen foto. Het selecteren, het keuren, het afwijzen van versies van jezelf. Mannen doen dit ook, maar minder. Of ze geven het minder toe. Vrouwen cureren hun eigen beeld met een nauwkeurigheid die uitputtend is.
Milla doet het nog erger. Zij maakt niet zevenenveertig maar honderden foto's. Er zijn filters. Er zijn apps. Er zijn manieren om je gezicht te veranderen die niet bestonden toen ik veertien was.
Ik zeg soms: "Post gewoon de eerste."
Ze kijkt me aan alsof ik gek ben.
Misschien ben ik ook gek.
Maar ik wou dat we gewoon onze gezichten konden posten.
Zonder de zevenenveertig anderen eerst te moeten vermoorden.