Er is een vraag die ik krijg en die mannen niet krijgen. De vraag verandert van vorm maar de essentie blijft hetzelfde.
"Hoe combineer je het?" "Wie zorgt er voor je dochter als jij werkt?" "Vind je het niet moeilijk om zoveel weg te zijn?" "Hoe doe je dat, als alleenstaande moeder?"
De vraag gaat niet over mijn werk. De vraag gaat over hoe ik durf te werken. Hoe ik het lef heb om iets te doen buiten het moederschap. De vraag is een twijfel verpakt als interesse.
Mannelijke schrijvers krijgen deze vraag niet. Mannelijke advocaten krijgen deze vraag niet. Mannen met kinderen zijn gewoon mannen met kinderen, geen vreemde hybride wezens die moeten uitleggen hoe ze hun dubbelleven leiden.
Ik beantwoord de vraag tegenwoordig niet meer serieus. "Milla redt zich wel," zeg ik. "Ze is veertien, ze kan een boterham smeren." Of: "Ik heb haar geleerd om het alarmnummer te bellen." Meestal lachen mensen dan ongemakkelijk.
Milla vindt het ook raar, de vraag. "Waarom vragen ze dat?" Ik zeg: "Omdat ze denken dat moeders geen eigen leven mogen hebben."
Ze rolt met haar ogen.
Ze is veertien.
Ze weet nu al hoe absurd het is.
Dat geeft me hoop.