← terug

De aardappelgratin

"Ik ben geen politiek mens," zei de vrouw tegenover mij, tussen de aardappelgratin en het dessert.

Ze zei het met de opluchting van iemand die deze zin al veertig jaar had willen uitspreken maar er eerst de juiste tafel voor moest vinden. De tafel was die van Katrien, zus van Peter, die jarig was, in een huis in Alken met een eikenhouten tafel waaraan veertien mensen zaten, waaronder een kind van zeven dat frisdrank door een rietje opslorpte en tussen de slurpjes om "nog een cola alsjeblieft" vroeg terwijl het nog genoeg had. Naast mij zat een man die drie keer had verteld dat hij een tweede Alfa Romeo had geprobeerd maar uiteindelijk bij BMW was gebleven. Aan de andere kant zat niemand. Die stoel stond er voor de symmetrie, en niemand vroeg zich af waarom.

"Politiek vind ik zo vermoeiend," ging ze verder. Ze tikte met haar lepeltje tegen de rand van haar tiramisu, waarop drie stukjes gedroogde framboos lagen die Katrien vanochtend waarschijnlijk zelf had gedroogd. "Ik hou mij er liever buiten."

Ik heb niets gezegd. Dat was de fout. Ik heb mijn glas opgepakt, een slokje genomen dat niet aan het doel van de avond beantwoordde, en iets gemompeld over de nootmuskaat in de aardappelgratin, die er inderdaad in zat en die ik proefde zoals je een verborgen code in een lied proeft. Katrien haalde de tiramisu-kom op en liep ermee naar de keuken. Aan de overkant van de tafel zaten twee mensen die mij ineens aankeken met de blik die mensen opzetten wanneer ze vinden dat er iets had moeten worden gezegd waar zij zelf niet klaar voor waren het te zeggen. Ze brachten het later in de keuken op.

"Goed dat je niks hebt gezegd, want dan was het geëscaleerd."

"Het ís geëscaleerd."

"Jij vindt het geëscaleerd. Wij vonden het gezellig gebleven."

Gezellig gebleven wil zeggen: niemand is uit zijn stoel opgestaan. Niet dat er niets is gebeurd. Niet dat niemand is geraakt. Gezelligheid is in Vlaanderen sinds een aantal jaar synoniem met de status quo, mits er niemand bij een raam een sigaret aansteekt en de vrouw aan tafel met de droge keel haar keel droog houdt.

Wie zegt geen politiek mens te zijn, heeft meestal precies genoeg om die zin te kunnen uitspreken. Ik heb hem zelf ook ooit uitgesproken, in 2004, in een café in Leuven waar ik de rekening niet hoefde te controleren. Ik had een paspoort dat bij de grens een glimlach kreeg, een gebit dat klaar was, een huur die niet schrok voor een verhoging, en een partner die niet stal en niet sloeg, wat allebei kennelijke afwezigheden waren die ik destijds als vanzelfsprekendheden ervoer. Ik had toen niet door dat dat de voorwaarden waren waarop ik kon zeggen dat ik geen politiek mens was.

Op de terugweg naar Hasselt, met mijn handen op tien-voor-twee zoals ik ze sinds mijn rijschool nog altijd plaats zodra het donker is, rook het in de Freelander naar de tiramisu in het Tupperware bakje op de achterbank (een stukje voor Milla) en naar de parfum van Katrien die zich in een omhelzing in mijn vest had geplant. Voor mij reed een witte Audi, met een jong meisje achterin dat tegen het raam leunde en een airpod half uit haar oor had hangen. In mijn hoofd speelde ik een serie betere antwoorden af dan ik had gegeven, waarvan ik bij elke volgende verjaardag weer geen enkele zou herinneren.

Thuis stond Ringo bij de garagedeur alsof hij de avond zonder mij kritisch had geëvalueerd en voorlopig een voldoende gaf. Ik heb hem een handvol brokjes gegeven, omdat aan hem niets was uit te leggen en hij het mij nooit had gevraagd. Het stukje tiramisu heeft Milla de volgende ochtend om kwart over zeven, staand voor de open koelkast, uit het Tupperware bakje gelepeld en vervolgens op het servet uitgestald. Ze zei: "Niet slecht, voor Alken."