"Wat is dit?" vroeg Milla.
Ze stond bij de open keukenla met haar linkerwenkbrauw net een centimeter hoger dan haar rechter, wat bij haar het lichamelijke equivalent is van een rechter die aanslaat. Tussen het rolletje doorzichtige pleisters, de schroef die we allebei al drie maanden niet op zijn plek durfden te leggen, en een elastiekje waaraan een pluk Ringo-haar zat, hield ze een doosje omhoog met twee vingers alsof het een dode wesp was.
"Niks."
"Er staat Xanax op."
"Dan is het dus wel iets."
Ze legde het doosje op tafel. Ringo, die op de keukenstoel tegenover haar lag met één oor neergedrukt onder zijn eigen poot, bekeek het drie seconden en trok vervolgens elke belangstelling voor de medische wereld terug.
Het doosje was van vlak na Onno's dood. Ik had er drie tabletten uit gehaald, op avonden waarop de stilte in huis een andere substantie had dan gewone stilte, dichter, dichter bij de muren, als lucht die besloten had ergens heen te gaan maar het adres vergeten was. De tabletten hadden geholpen met slapen. Met het knagen niet.
Ik had het recept gehaald bij een arts om de hoek, een kamer met een raam dat uitkeek op de parkeerplaats van een supermarkt en een bureau waarop een stapel mappen lag met gekleurde lipjes die bij nader inzien allemaal dezelfde kleur hadden. Ik had uitgelegd dat het knaagde in mijn borstkas, dat ik de nacht niet doorkwam, dat Milla over twee weken naar haar vader zou zijn gegaan en dat die reis er nu anders uitzag dan gepland. Ik had het zo gezegd: anders dan gepland, omdat dat de formulering was waarvoor de kamer groot genoeg leek. Hij had geluisterd op de manier waarop iemand luistert die weet dat hij niets kan zeggen maar toch iets moet opschrijven. Daarna had hij benzodiazepines op een receptje gezet. Ik heb hem bedankt op de toon die je gebruikt als je de kamer uit wil, ben naar buiten gelopen, en het doosje opgehaald bij de apotheek naast ons.
De andere tabletten waren er nog, op een verkreukelde strip die net niet meer plat wilde. Het doosje had in de la gelegen terwijl Milla groter werd en ik het vergat op de manier waarop je dingen vergeet die je niet wil weggooien maar ook niet op een plek durft te zetten die opruimen betekent, terwijl er van de ene herfst tot de volgende een elastiekje bij belandde en een schroef en uiteindelijk ook het rolletje pleisters, totdat het doosje zich zo huiselijk had ingericht dat het er gewoon bij hoorde.
Milla tikte met haar nagel op het doosje. "Geholpen?"
"Met slapen."
"En verder?"
"Nee."
Ze gaf het doosje terug en nam een hap van mijn boterham met honing, waar tegen die tijd niet veel meer over was dan de kaft van het brood.
Ik heb het doosje die middag in de papierbak gedaan, strip en al, en de la opgeruimd op een manier die de pleisters voortaan rechts legt en de schroef weer in het bakje bij de spijkers. Op de kraan zat een kalkvlek die ik bij nader inzien al weken had genegeerd. Ik heb er een doekje tegenaan gehouden. Ringo is van zijn stoel gesprongen, heeft zijn zaterdagse ronde rond mijn enkels gelopen die altijd bij mijn linker begint en altijd tussen de tafelpoten eindigt, en heeft mij onderweg éénmaal tegen mijn scheenbeen aangetikt met een kop die naar dakpannen rook omdat hij twee uur eerder op het dak had gelegen.