"Milla, word niet hysterisch."
De man zei het door mijn keuken heen, via de schoollaptop van mijn dochter, op een donderdagmiddag om kwart over drie, terwijl ik bij het aanrecht een kom die al twee keer in de vaatwasser was geweest afspoelde en een fijne serie aan het opbouwen was van redenen waarom ik de vaatwasser nog niet had vervangen. Mijn hand bleef halverwege de kom. Het water liep door mijn vingers. De druppel die op de kalkvlek viel, sproeide een minuscule boog terug op mijn polsbotje, wat ik op een andere donderdagmiddag als lastig zou hebben ervaren en nu niet eens registreerde.
Milla zat aan de keukentafel in haar zwarte capuchontrui met de capuchon op, haar schoollaptop voor zich, in een online bijeenkomst met twee meisjes uit haar klas en een leerkracht wiens naam ik die week al drie keer had gehoord en telkens weer vergat onder de brieven van Fluvius. Op het scherm zag ik hem, een halve seconde lang: een ruitjeshemd voor een witte muur, een camera die al maanden niet is ingesteld en het ook niet meer gaat worden. Ze zei niets. Een van de andere meisjes giechelde, het geluid van iemand die niet wist hoe anders te reageren en daardoor nu medeplichtig werd aan iets waarvan ze thuis niet wist wat. De leerkracht praatte door, opgelucht. Milla trok haar capuchon één centimeter naar voren, wat haar manier is om digitaal een ruimte te verlaten die ze lichamelijk niet kan verlaten.
Hystera is Grieks voor baarmoeder. In de hippocratische geneeskunst was dat orgaan een zelfstandig dier dat door het lichaam van een vrouw dwaalde en waar ze bleef hangen een kwaal veroorzaakte. In de keel: een brok. Onderin: pijn. Ik stond bij het aanrecht met mijn handen nog nat en keek naar Milla's rug, naar de zwarte stof van haar capuchon die licht bewoog met haar ademhaling. Deze theorie is al twintig eeuwen weerlegd, maar het woord is niet vertrokken. Het staat nu in mijn keuken, in 2025, uit de mond van een man in een ruitjeshemd dat hij volgens mijn dochter op Zalando heeft gekocht tijdens de Singles Day-actie van vorig jaar.
Ik zette de kom weg. Ik liep op mijn blote voeten onder de kapstok door naar de woonkamer, net buiten het frame van Milla's laptopcamera, en ademde daar drie keer diep in en uit. Op de schouw stond een vaas met drie tulpen waarvan er één al had gebogen. Ringo lag boven op de trapleuning, half hangend, de poten in de lucht, in de slaaphouding die dierenartsen "omgekeerde komkommer" noemen en waarvoor hij nog nooit in verlegenheid is gebracht door een leerkracht.
Ik dacht aan een vrouw in een kantoor die in een vergadering een punt maakt over het begrotingsbesluit en door een collega in een Hugo Boss-jasje wordt onderbroken met "laten we niet hysterisch worden". Ik dacht aan mijn moeder in 1996, in de huisartsenpraktijk, met de diagnose "niet te veel piekeren". Ik dacht, en dat was het meest onwenselijke, dat ik zes stappen terug de keuken in zou lopen en tegen de camera "mijnheer, u herhaalt een klinische misvatting uit de vijfde eeuw voor Christus" zou zeggen.
Milla kwam na de call de keuken in, klapte haar laptop dicht, trok haar capuchon af.
"Hij zegt het elke week tegen iemand."
"Welke dag?"
"Woensdag. Of donderdag."
"Wat doe je?"
"Niks."
"Wat kan ik doen?"
Ze keek mij aan zoals veertienjarigen kijken wanneer hun moeders een gevecht willen overnemen dat op hun schoolplein moet blijven: met de goed gerepeteerde combinatie van meewarigheid en belangstelling die je bij volwassenen alleen nog terugvindt bij politieagenten aan de grens.
"Mama. Niet doen."
Ik heb niet gedaan. Ik heb thee gezet. Milla is naar boven gegaan met de laptop in haar hand en haar capuchon nu omlaag. Ringo is uiteindelijk op de keukenvloer geland, heeft zijn zaterdagse ronde om mijn enkels gelopen, en heeft op de deur van de koelkast tien keer met zijn rechterpoot getikt tot hij een stukje kalkoen had, wat hij daar dagelijks om vraagt en waarvoor niemand hem ooit een woord heeft gegeven dat verwijst naar een lichaamsdeel dat dwaalt.