Op een woensdag rond vier uur stond voor mij in de rij bij de Delhaize op de Luikersteenweg een man met een kindje in een draagzak. Linnen, beige, met een knoop die iemand met verstand van zaken een week eerder had vastgelegd. Het kindje sliep zoals alleen kinderen onder de zes maanden slapen, met de mond in een halve letter O en een verfrommelde vuist tegen het sleutelbeen van de drager. Hij hield een fles appelsap, een pakje koffiefilters, een tube tomatenpuree met scheve dop, en een zakje gedroogde cranberry's onder zijn arm geklemd. Dat is het huishoudelijk teken van een man die boodschappen doet voor een maaltijd die door iemand anders is gepland.
De dame voor hem draaide zich om. Grijs haar, regenjack, een boodschappentas van de apotheek, een parfumspoor dat in de jaren negentig weg had moeten zijn. Ze keek de man even aan, toen langs hem heen naar het kindje, en zei: "Wat een lieve papa ben jij." Het kindje sliep door. De man glimlachte alsof iemand hem net een bloem had aangereikt, en stond een centimeter rechter, op de manier waarop mensen dat doen wanneer ze een compliment krijgen dat niet aan hen is gericht, maar waarvan ze de overstap wel kunnen maken. De kassière keek op, zag het, deed mee met een knikje dat in haar uurloon vijftien cent waard moet zijn geweest.
Ik stond erachter met een avocado die op het schap al te hard was geweest, een halfvolle melk, en een fles Côtes-du-Rhône die ik had kunnen vermijden als ik op tijd was opgestaan. Voor mij stond een display met pistachestaafjes, in een campagne van het merk dat me diezelfde ochtend op Instagram had aangeboden. Ik had beter weg kunnen kijken. Maar er is een vasthoudendheid in mij die, zodra iemand een gratis compliment krijgt voor het slapen van een zuigeling, de rest van de scène volgt tot aan de parkeerplaats, om te zien of hij de draagzak ook weer zonder hulp van enig mens kan afzetten. Dat blijkt dan meteen de volledige inhoud van het compliment.
Ik heb in veertien jaar niemand tegen mij horen zeggen dat ik een lieve mama ben. Niet bij de Milla in mijn buik, die toen al zes pond woog en de tandartsafspraken drie maanden vooruit kon weten. Niet bij de Milla in de kinderwagen, die vanaf haar tweede luidkeels protesteerde tegen de onderneming. Niet bij de Milla van vijf, die in de pasta-afdeling van de Colruyt de merken hardop voorlas aan een klein buurtsupermarkt-publiek. Niet bij de Milla die nu veertien is, zes dagen per week zwart draagt, en mij soms vanaf de bank de keuken uit jaagt omdat ik haar muziek te hard meezing. Het ligt aan de taal. Vaders springen bij. Moeders zijn.
Ik zette mijn spullen op de band, waar nog een korrel zout lag van de vorige klant. De scanner piepte en de kassière zei, zonder mij aan te kijken, dat de avocado niet goed was. Ik heb haar gelijk gegeven, betaald met Payconiq, de bon in ontvangst genomen, en verder niets.
Op de parkeerplaats miezelde het, en de lampen gingen al aan hoewel het pas vier uur was. De man stond bij een stationwagen in metallicblauw, bezig de draagzak af te zetten zonder hulp van enig mens, wat hem inderdaad bewonderenswaardig goed afging. Ik liep er met mijn avocado langs, zonder dat iemand naar mij keek. Ik dacht: zo heet het, zonder compliment. Zo heet het voor de helft van de wereldbevolking, zonder tussenkomst, zonder vuist in de lucht, zonder taart, zonder draagzak die er toch ook bij was geweest.