← terug

Bij de kapper

"Zoals vorige keer?" vroeg Alain.

"Iets korter."

"Achter ook?"

"Achter net iets langer."

"Mevrouw, dat is niet iets korter."

"Dat is mijn vak."

Hij zuchtte de zucht van een kapper die op zaterdagochtend om half tien zijn eerste klant ontvangt en zich had voorbereid op een soepele, gesneden vraag. Hij tilde mijn haar op met de kam die hij al vijftien jaar gebruikt, die hij vorig jaar heeft vervangen door een identieke die hij vervolgens stiekem ook "Bea" is gaan noemen omdat de oude zo heette. In de spiegel zag ik mijn achterhoofd, wat op een zaterdagochtend altijd een confronterend moment is. Mijn haar was nat, de koude van het wassen nog in mijn nek, en het salon rook naar het ammonia van de vrouw twee stoelen naast mij die een tint lichter ging. Mijn schouders zaten in de klassieke regenjas-met-lintje-voorop die kappers je omdoen zonder dat er ooit iemand vraagt of hij goed past.

Op het tafeltje voor mij, tussen een Libelle van november en een Flair van september, lag een Knack van twee weken oud. Op de cover stond de eerste vrouwelijke chef-dirigent van een groot Europees orkest. Ze droeg een zwart colbert, keek niet recht in de lens, en achter haar was met Photoshop een gloed aangebracht die in de journalistiek wordt gebruikt voor foto's waarvoor men nog geen woorden heeft gevonden die warm genoeg klinken. De cover zei: "Historisch." Binnen, in chocoladeletters: "Doorbroken." Daaronder, in een kleiner paars: "Hoe zij haar eigen weg heeft gevonden."

Ik las het interview van elf bladzijden terwijl Alain zweeg met de concentratie die hij alleen aan de zijkanten uitstalt. Vraag zes: "Hoe voelde u zich toen u werd benoemd?" Vraag elf: "Wat doet u tegen de druk?" Tussen de vragen in stond een observatie van de interviewer: "Ik ken niemand die zó ontspannen kan overkomen terwijl ze zó veel op haar schouders draagt." De dirigente antwoordde dat ze de vraag had verwacht.

Haar voorgangers zijn volgens een klassiek muziektijdschrift dat ik ooit in een wachtkamer in Lommel las, talrijk en mannelijk. De voorganger die aan haar voorafging werd niet wakker met het gevoel dat hij voor alle mannen in de klassieke muziek moest staan. Hij werd wakker met het gevoel dat hij om elf uur een repetitie had en dat de hoboïsten in de slag moesten bij het Adagio sostenuto. Hij dronk koffie. Hij reed naar het Concertgebouw. Niemand wilde een documentaire over zijn mannelijke perspectief maken.

Zij daarentegen heeft de vergelijking gekregen, de documentaire, de oudere criticus die haar aanraadde wat minder "gedreven" over te komen, de column in een grote krant waarin iemand haar verweet "te emotioneel" met Beethoven om te gaan, en de rekening op een avond waarop iets niet goed gaat, want dan hebben vrouwen nu eenmaal iets met te lange pauzes. Die laatste opmerking heeft een emeritus hoogleraar in een échte krant onder zijn échte naam durven neerzetten. Niemand heeft hem ontslagen, want zijn vak kent geen aanstellingen die je achteraf kwijt kunt raken.

"Zo?" zei Alain.

Hij hield de handspiegel achter mijn hoofd. Ik knikte. Ik nam de Knack mee naar de kassa, waar een jong meisje met een bril in de vorm van een gouden kat de afrekening deed en, met haar blik op de cover, zei: "Leuk hè, die mevrouw."

"Ja."

"Ze heeft iets."

"Veel, inderdaad."

Ik heb de Knack bij de kassa teruggelegd. Op straat rook het naar de bakker op de hoek van de Demerstraat, die op zaterdag om tien uur broodjes met kaas maakt voor de vaste klanten, en mijn haar droogde al terwijl ik liep, in de kou die je na het kappersbezoek altijd even bijzet. Ik heb er twee gekocht, ben naar huis gelopen, en heb onderweg geen enkele keer aan Beethoven gedacht, maar drie keer aan of Milla haar voetbalkousen in de wasmand had gedaan, wat waarschijnlijk niet het geval was en wat ik bij thuiskomst ongetwijfeld zou vaststellen bij het openen van de wasmand in de gang. Ze lagen inderdaad nog in de sporttas, met een appelboterhamzakje erbij uit 2019. Alain, ik kom nog terug.