"Mam."
"Mm."
"Locatie staat aan."
Milla stond in de gang, één voet in een New Balance 550 in een kleur die ze "beige" noemde maar die op Vinted als "ivoor" werd aangeboden, en één voet nog in haar huissok. Buiten was het al donker op de manier van november, het soort donker dat om halfzeven definitief is en geen concessies meer doet. Ze hield haar telefoon omhoog met het scherm naar mij toe, waarop een klein blauw vinkje bevestigde dat ze mij die avond gelokaliseerd zou laten vinden. Op de telefoon achter haar, van mij, zag ik een klein groen stipje op dezelfde kaart, ter hoogte van onze voordeur, nog niet bewegend maar klaarstaand.
"Waar ga je heen?"
"Kolonel Dusartplein."
"Met wie?"
"Noa en Juliette."
"Goed."
Ze trok haar andere New Balance aan zonder te bukken, op de manier waarop veertienjarigen dat doen wanneer de trots van niet bukken sterker is dan het comfort van wel bukken, pakte haar rugzakje, donkergroen Eastpak met bovenin een embleem van een band die ik niet kende, en liep naar de deur. Voor ze hem dichttrok draaide ze zich om.
"Verplicht ding: ik stuur om tien uur dat ik op weg ben."
"Ja."
"En jij wacht, niet belt."
"Dat weet ik."
"Vorige keer."
"Dat was per ongeluk."
De deur viel dicht. Er trok een ruk koude lucht langs mijn enkels, een kleine november die mee naar binnen was gewandeld voor ik hem kon buitenhouden, en op mijn telefoon kwam het stipje in beweging, tegen de richting van de Luikersteenweg in, en zette koers naar het centrum. Ik deed de waterkoker aan, die begon te rommelen met de zelfgenoegzaamheid van een apparaat dat al jaren weet wat er van hem verwacht wordt, en keek er met een zekere huiselijkheid naar.
Het stipje is geen Milla. Het stipje is haar telefoon. Ik heb haar telefoon al vaker op de gangmat zien liggen terwijl zij zelf in bad zat, en tegen die dagelijkse onnauwkeurigheid kan geen enkele locatiefunctie op. Maar het stipje was er, en het stipje bewoog in de richting die ze had aangekondigd, en dat moest voor een vroege donker-novembermaand genoeg zijn.
Toen ik veertien was, vertrok ik in het donker op de fiets naar de Grote Markt met driehonderd frank in een portemonnee met drukknoop, en mijn moeder zei: "voor tien thuis," en dat was het protocol. Er was geen app. Er was geen stipje. Er was een grote onzichtbare zak om de avond heen, en de bewijslast dat er iets niet klopte lag bij een dichtgetrokken voordeur om drie over tien. Nu is de zak doorzichtig. De zak is een blauw scherm met een groen stipje, en ik zit ermee aan de keukentafel als een verkeerstoren, met een mok thee die bij de derde slok al lauw is omdat ik twee keer de telefoon heb gecheckt en één keer Ringo van de tafel heb gehaald.
Het stipje stopte bij de frituur op het plein. Niet bij het plein zelf. Bij de frituur, waar ze eerder heeft gezegd dat er een afzuigsysteem zit dat de jassen van de klanten op weg naar buiten opnieuw verfrituurt, en waar ze een grote friet deelt met Noa en Juliette in een kartonnen bakje dat aan de onderkant vet wordt in de volgorde waarin de klanten het vasthouden. De locatiefunctie is geen technologisch snufje. Zij is een onbedoeld eerbetoon aan generaties vrouwen die hem voor haar hebben verdiend zonder hem te krijgen.
Ringo lag intussen tussen de thee en de telefoon in, half over allebei, en blikte met de nonchalance van een kater naar de deur die niet ging opengaan. Om tien voor tien verliet het stipje het plein, reed via de Kempische Steenweg terug, en kwam zeven minuten later op de mat in de gang samen met een hand, een sleutelbos, en een Milla die meteen de keuken in liep en naar de koelkast gebarend zei: "Ringo heeft op de tafel gelegen, hè." Ik deed mijn telefoon in de la. Het stipje bestond nog wel, maar ik keek niet meer.