"Mama, wat betekent dit?"
Milla zat op een omgekeerde bloempot op de zolder, naast een doos gordijnrails die er sinds 2011 op een bestemming wachtte, met op haar schoot het Wetboek van Strafrecht uit 2006, dat ik haar op haar verzoek had laten openslaan voor een schoolopdracht over feminisme waarvoor haar leerkracht had gezegd dat "oude dingen" bonuspunten opleverden. Het rook er naar papier en een klein beetje naar Ringo, wat betekende dat hij er 's ochtends al was geweest en opnieuw zonder toestemming. In het dakvenster zat een spin die al sinds de vorige zolderopmaak op voeding wachtte.
Haar vinger wees op een potloodaantekening in de marge van pagina 347, naast artikel 375, in een handschrift dat van mij was, uit een tijd dat mijn handschrift nog netjes was. Er stond: "1989 B, 1991 NL."
"Het jaar waarin in België verkrachting binnen het huwelijk als zelfstandig misdrijf is erkend, en het jaar waarin dat in Nederland is gebeurd."
"Niet eerder?"
"Nee."
"Dus in 1988 kon dat niet?"
"Het kon wel. Het was niet strafbaar."
Ze keek mij aan zoals ze altijd kijkt wanneer ze overweegt of ik haar voor de gek houd. Ik keek niet terug, want ik was opnieuw met mijn duim op dit artikel beland, na acht jaar niet. België 1989. Nederland 1991. Duitsland 1997. In verschillende Amerikaanse staten pas na de eeuwwisseling. Mijn moeder was drieëndertig toen België de stap zette. Ik was zeven en zat in Hamont op school, op een speelplaats zonder banken. Mijn grootmoeder leefde nog, woonde in Alken, en had twee jaar eerder haar uitvaart georganiseerd in een brief waarvan ze de envelop vlak na 1989 had dichtgeplakt maar de inhoud nooit heeft herzien.
"Dat is dus niet echt heel lang geleden."
"Nee."
Ze schreef drie regels op in een schriftje dat ze uit haar achterzak had gehaald. Ik zag over haar schouder: "België 1989. Nederland 1991. Duitsland 1997. In mijn klas al niet echt besproken." Ze bleef daarna drie seconden naar het laatste zinnetje kijken, haalde de pen door "al niet echt besproken" en schreef eronder: "NIET besproken."
Ik denk soms dat juridische vooruitgang verloopt via commissievergaderingen op een dinsdagochtend in een kantoor met ramen die niet sluiten, waar iemand aan een tafel zit te typen, er een kannetje met mierzoete koffie staat, en een jongeman met een iets te strak geknoopte stropdas een doekje moet gaan halen omdat een oudere collega met zijn mouw tegen dat kannetje is gekomen. Niemand in die kamer denkt op dat moment aan de vrouw die straks niet meer onder een paragraaf valt waarin ze officieel nergens over hoefde te klagen. Dat denken doet zij zelf, veel later, als ze op een gegeven moment begint te beseffen dat er sinds 1989 een artikel bestaat waardoor haar klacht een klacht is.
Ik was in 2006 juriste. Ik had een toga, die nu in een kartonnen doos op zolder ligt op twee meter van Milla vandaan, naast een Ikea-lamp zonder kap. Ik weet hoe een artikel wordt herschreven. Het is stil werk. De jongeman met de stropdas is inmiddels senator.
Op pagina 348, onder mijn eerste aantekening, stond in minder nette hand: "NL 1991: gelijkstelling verkrachting in/uit huwelijk. MvT: niet verheugd, maar toch." Ik herinner mij niet meer of ik dat cynisch had bedoeld of als nuchtere voetnoot onder de neus van mijn professor strafrecht, wiens kantlijncommentaar op mijn essay meestal "ga dit uitbouwen" luidde.
Milla klapte het schriftje dicht. Ze zette het wetboek niet terug in de doos, maar nam het mee naar beneden. Op de trap hoorde ik haar tegen Ringo, "pas op, ik kom," wat betekende dat ze bijna over hem heen was gestapt. Ik bleef nog even op zolder. Het dak klopte een keer, het geluid van een balk die zijn eigen gewicht opnieuw opmeet, en buiten was het al na half vier. De spin daalde van zijn draad alsof hij ook een aantekening wilde lezen. Ik deed de doos dicht en bleef zitten op de bloempot die Milla had vrijgemaakt, die nog een beetje warm was.